Marco van Basten: Kluns sloopt wonderkind

Zonder categorie

Dat een gruwelijke enkelblessure vroegtijdig een einde maakte aan de enkelblessure van Marco van Basten is algemeen bekend. Minder mensen weten, dat Van Basten het mooiste doelpunt uit zijn carriere ook verklaart uit die verruïneerde enkel. ‘Zeer waarschijnlijk had ik met een goede enkel die goal niet gemaakt’, zo vertelt hij in zijn autobiografie Basta die Edwin Schoon met hem schreef. ‘En dat is uiteindelijk toch een soort ‘Teruggave Gods’, vanwege wat me is aangedaan met die enkel. In een soort balans tussen onrecht en terugbetalen. Een soort cadeautje terug van God.’

‘Als je talent had kreeg je schoppen. Uitdelen, ontwijken, ontsnappen, scoren. Dat was de enige remedie’

Van Basten won met Ajax drie keer het landskampoenschap en de Europacup II. Met AC Milan haalde hij vier landstitels binnen en twee keer de Europacup I, de huidige Campions League.

Johan Cruijff beschouwde hem als zijn opvolger en belangrijkste protégé. Hij maakte ruzie met hem, maar het was altijd goed bedoeld.  ‘Ik heb altijd in dienst van het elftal gespeeld’, zei Cruijff in november 1985 tegen Voetbal International. ‘Zeker wanneer je de beste speler bent, speel je in dienst van de mindere spelers. De beste speler moet de andere spelers sturen, hij moet ervoor zorgen dat juist die spelers goed functioneren. Marco van Basten heeft daar nog moeite mee, hij ergert zich aan mindere spelers.’

BOSMAN

Voorafgaand aan het Europees Kampioenschap van 1988 in Duitsland, maakte Cruijff zich sterk voor Van Basten. Niet John Bosman, die zowel in de competitie als voor het Nederlands elftal flink aan het scoren was, maar Van Basten zou van Rinus Michels de voorkeur moeten krijgen in de spits. ‘Wanneer je in de loop van de wedstrijd met een breekijzer wilt gaan spelen, kun je altijd nog Johnny Bosman inzetten’, vond Cruijff. 

Het scheelde weinig of Van Basten was wegens zijn blessure helemaal niet meegegaan naar het EK. Pas toen duidelijk werd dat Bosman er weinig van bakte, hij scoorde in de groepsfase niet één keer, kwam Van Basten in beeld. Toen Michels overstag ging en besloot hem op te stellen, won Nederland prompt met 3-1 van Engeland danzij een hattrick van Van Basten. ‘Van mijn drie goals tegen Engeland was de eerste pure bevrijding’, vertelt hij in Basta. ‘De tweede was een bevestiging. De derde grensde aan het ongelofelijke.’

Van Basten maakte op het EK van1988 een hattrick tegen Engeland.


Van Basten maakte zijn hattrick in een groepswedstrijd. Nadat Wim Kieft het Nederlands elftal had gered tegen Ierland, moesten de echte EK-hoogtepunten van Van Basten nog komen. Met de sliding waarmee hij scoorde tegen Duitsland in de halve finale maakte hij voor veel mensen de verloren WK-finale van 1974 een klein beetje goed. Anders dan veel andere spelers voelde Van Basten geen diepe haat tegen de Dutsers: ‘Ik had niets met dat anti-Duitse sentiment.’

En in de met 2-0 gewonnen finale was er dan die fameuze volley. De voorzet van Arnold Mühren was volgens Van Basten niet veel soeps. ‘Eigenlijk een hopeloze bal. Maar het was zo’n dag dat alles in één keer goed valt.’

In 1986 maake Van Basten zijn mooiste omhaaldoelpunt in een wedstrijd tegen FC Den Bosch. Hij had die techniek van kleinsaf aan geoefend aan de rand van de Maarsseveense plassen waar hij verzekerd was van een zachte landing.

Van Basten oefende zijn omgaan als kind aan de rand van de Maarsseveense plassen.

Dat voetbal medogenloos is, leerde hij als kind al. Wanneer hij moest voetballen tegen de ‘rauwe gasten’ van het Utrechtse Schimmelplein bijvoorbeeld. In Basta: ‘Als je talent had kreeg je schoppen. Uitdelen, ontwijken, ontsnappen, scoren. Dat was de enige remedie.’ Toen hij als jochie van negen, spelend voor UVV, eens half huilend het veld afliep, omdat hij van alle kanten geschopt werd, stuurde zijn vader hem als de wiedeweerga terug: ‘Als je niet gauw maakt dat je rug het veld ingaat, dan schop ik je erin.’

In Basta leren we een voetballer kennen met een gierende ambitie: ‘Mijn doel was de beste te zijn. En dan bedoel ik ook echt de allerbeste; van de wereld dus. ‘Ik ben de beste (op mij na)’, schreef Marco van Basten als puber op een schrijflegger van zijn bureautje in zijn ouderlijk huis aan de Utrechtse Wagenaarkade.

JOOP VAN BASTEN

Joop van Basten, Marco’s vader was vroeger een verdienstelijke speler en gek van voetbal. Hij hield schriftjes bij met wedstrijdanalyses, iets wat Marco hem nadeed. Hij richtte al zijn aandacht op zijn jongste zoon, een nakomertje. ‘ Avonds ging hij bij Marco op de rand van zijn bed zitten om over voetbal te praten. Als Marco door een file te laat dreigde te komen op een belangrijke training, dan pakte zijn vader de vluchtstrook. Naar zijn broer en zus, die zes en acht jaar ouder waren, keek mijn vader nauwelijks om en dat leidde tot felle discussies aan tafel. Anders dan bij Marco stond hij bij zijn oudste zoon Stanley, logischerwijs een mindere voetballer, bijna nooit langs de lijn.

Kort nadat zijn vader Joop is overleden, in 2014, bezoekt Van Basten zijn jongenskamer zo vertelt hij in de biografie Basta die Edwin Schoon met hem schreef. ‘Nadat ik vertrokken was, was het een soort Marco-museum geworden waar mijn vader zich totaal in vastgebeten had. Met al mijn bekers, vaantjes, shirtjes, vhs-banden en schrijfmapjes met notities over al mijn wedstrijden. Noem maar op.’ Een grafzerk van een verdwenen voetballer, noemt hij het kamertje Hij wil er zo snel mogelijk vanaf.

ENKELBLESURE

De enkelblessure was jarenlang een blok aan het been van Van Basten. Het begon allemaal in 1986 toen hij zich blesseerde in een wedstrijd tegen FC Groningen met een onhandige tackle. Zijn broer zat op de tribune en Van Basten wilde zijn beste beentje voorzetten.

De pijn ging nooit meer helemaal weg. Aanvankelijk zette Van Basten de tanden op elkaar, maar omdat de blessure niet beter werd liet hij zich kort voor kerst 1992 opereren, een operatie die achteraf gezien fataal bleek. ‘Ik zou nooit meer een bal fatsoenlijk raken, nooit meer een spintje kunnen trekken, nooit meer een perfecte aanname, noot meer dat heerlijk ratelende geluid van de bal tegen het net, nooit meer kinderlijk blij juichen na een goal.’

‘Onder het mes bij dokter Marti’, zoals Van Basten het noemt. Daarna was zijn leven voorgoed veranderd. Drie jaar lang deed hij nog alles om fit te worden, maar het was tevergeefs. ‘Je gelooft zo’n arts op zijn woord als hij zegt dat het in elk geval niet erger kan worden. Baat het niet, dan schaadt het niet. Nou, het schaadt wel. Het schaadt verdomme al acht maanden. En de vraag is voor hoelang nog? Milan nodigt me steeds uit om bij wedstrijden te komen kijken, maar ik verdom het om daar met krukken te verschijnen. Een manke spits. Ik verstop me liever in mijn eigen huis. Als een gewond dier. Laat mij maar in het donker zitten.’

DREMPELS ZIJN HET LASTIGST

Van Basten beschrijft hoe hij aan het eind van zijn carrière in zijn huis in Badhoevedorp ‘s nachts niet meer wist waar hij het zoeken moest van de pijn. ‘Het is donker. Ik kruip over de tegels. Op mijn handen en knieën. Ik moet pissen. Als een rund. Maar zodra ik te snel wil, drukt mijn volle blaas tegen mijn bovenbeen, en is het bijna niet te houden. […] Ik moet geduld hebben, want het is toch zeker twee minuten naar de badkamer. Dat weet ik inmiddels. Om mijn aandacht af te leiden van de pijn tel ik altijd de hele route. Fluisterend. Nooit kom ik bij de wc voor ik bij honderdtwintig ben. De drempels zijn het lastigst, want daar moet mijn enkel zonder botsen overheen. Bij het kleinste tikje moet ik al op mijn lip bijten om een schreeuw te voorkomen.’

Marco van Basten weet het nog niet, maar hij speelt al in 1993 zijn laatste wedstrijd, de Champions League-finale die AC Milan verliest van Olympique Marseille. Bij het afscheid van Van Basten in 1995 hielden ploeggenoten en de trainer het niet droog. Van Basten is cool van buiten, maar hij vecht zelf ook tegen de tranen. Hij is boos op zichzelf want die fantastische carrière had langer kunnen en moten duren. In Basta: ‘Het klinkt heel lullig maar ik had nog eigenwijzer moeten zijn. Ik had moeten zeggen:zolang ik pijn heb speel ik niet.’

Geef een antwoord